Achter mijn stuur

Het is niet echt een kwestie van overhandigen, het is volkomen gespeend van enige plechtigheid. Ik grabbel nog naar mijn sleutels als hij ze al heeft. “Ja maar ik moet nog afsluiten”, probeer ik nog even. “Dat kan ik toch ook doen”, antwoordt hij. “Welja, nu heb je mijn huis ook al ingepikt.” Het moet er even uit. Voor het eerst kruip ik op de rechtervoorstoel. In mijn eigen auto. Hij links, zoef, stoel naar achteren, gemorrel aan spiegels, gordel om. Natuurlijk, ik weet het, dat moet allemaal, maar ik bedoel, het is míjn auto. Nu staat alles verkéérd afgesteld.

Sleutel in het contact, nog even gedoe met de lampen. “Hé, je hebt hier een dingetje voor de radio.” O ja, dat kun je vanaf de rechterstoel natuurlijk niet zien. Blijkbaar heeft hij zich nooit afgevraagd hoe die radio zo ongezien ineens zachter speelde. Zo, daar gaan we. Eerst de oprit af, dan de blinde bocht door waarbij ik blij ben dat er toevallig niemand van de andere kant komt. Niet omdat hij niet oplet, maar omdat het gewoon te smal en te onoverzichtelijk is. Een vreugde die me bij elke passage treft. We horten en stoten de straat uit, richting rotonde. Geen pedalen, geen stuur. Voor wie is dit eigenlijk enger? Voor hem, voor het eerst achter het stuur van een auto zonder hulpstukken bij de buurstoel? Of voor mij, voor het eerst in mijn auto met hem achter het stuur zonder hulpstukken bij de buurstoel?

Het eerste stuk is eenvoudig. Van ons huis naar zijn vriendin. Die ziet ons al komen en schuift op de achterbank. Daarna verder, de wijk door, de wijk uit, de provinciale weg op. “Waar wil je eigenlijk heen?” “Naar huis”, zegt hij. “Dan moet je daar links.” Maar ja, daar is al hier voor hij begrijpt dat hij de andere rijbaan moet hebben. “O jee!” “Gewoon rechtdoor dan maar, er komt wel een andere mogelijkheid. Zo moet je dat in de praktijk doen. Niet ineens toch die afslag opschieten met het risico dat jij je in die groene auto boort en een ander in jouw portier klapt.” Nee, dat vindt hij ook. Je kan altijd anders rijden of ergens keren.

“Zet mij maar thuis af, dan kunnen jullie nog even met zijn tweeën rijden en jij daarna nog alleen. Of durf je dat nog niet?” Domme vraag. Ik sta alweer op de oprit. Voor het eerst zwaai ik zoon uit, achter het stuur van mijn auto.

Hij heeft zijn diploma gehaald, het bewijs daarvan rijdt vanmiddag rond in de stad. Voor mij beginnen de lessen nu. Lessen in vertrouwen en weer een stukje loslaten. Ik zie in gedachten weer dat kleine lijfje in de verte, verbeten afstevenend op de stoeprand tot ik keihard “STOP” roep. Los, Van Dijk, losss.

Leave a Comment

Posting your comment...

Subscribe to these comments via email