Achteruit

“Mijn moeder gaat achteruit.” Ik hoor het mezelf tegenwoordig weer regelmatig tegen mensen zeggen. Binnenshuis gaat het nog wel, maar eenmaal buiten is de wereld een groot vraagteken en dus vermoeiend. Wat een zegen dat ze dat vergeet. Daardoor kan ik haar tenminste gewoon ophalen om gezellig langs te komen. Enthousiast springt ze op uit de stoel. “Ik ga met je mee!” Ik verzeker haar huisgenoten dat ik haar vandaag nog terugbreng. Vooral mevrouw Van Oosterbeek is daar blij mee.

Het is mooi weer, een jas is niet nodig, maar het vest dat ze aanheeft, trek ik haar niet uit. Eronder zit een vreemde combinatie. “Waarom heb je je hemd over je t-shirt aangetrokken?” Verbaasd kijkt mijn moeder naar beneden. Hemd? T-shirt? Is er iets vreemds? Ik ben als dochter net zo lousy als ik als moeder ben: “Laat maar zitten hoor. Met je vest erover valt het niet op.” Ik neem me wel voor om eens mooie hemden voor mijn moeder te kopen, zodat het een hippe combinatie lijkt als ze dit nog eens doet. Nu is het een hempje dat zo het museum in kan.

Eenmaal op de bank genesteld valt ze meteen voor het voorstel om een kop koffie te drinken. Ik heb er een restje cake bij, dat meteen verdwijnt, maar nee, ze hoeft geen tweede plakje. Mooi, ze kan nog grenzen bewaken. Maar verwoorden wat ze bedoelt wordt een stuk lastiger. Pas geleden werd de snelweg al een reissituatie en onderweg naar mijn huis werd ‘aangesproken’ ‘aangesloten’. “Nou ja zeg, ik kom helemaal niet uit mijn woorden.” Maar de wc weet ze nog te vinden, ondanks dat ze volgens eigen zeggen al heel lang niet meer in mijn huis is geweest. Eenmaal terug blijkt het toch niet feilloos gegaan te zijn. “Ik kon die knop, van eh, die knop, ik weet het niet. Dat lukte niet. Van de lamp.” “Bedoel je de schakelaar?” “Ja.” Ze maakt een draaiende beweging met haar hand. “Dat lukte niet met die schakelaar.” Ai, ja, vroeger draaide je het licht uit, tegenwoordig druk je op een vlakje. Maar in het huis waar mijn moeder woont is het vlakje vervangen door een sensor, zodat de lichtschakelaar niet meer bestaat in haar spectrum. Toch is er nog wel het besef dat je het licht in mijn huis wel zelf uit moet doen. Van zo’n klein lichtpuntje geniet ik nog wel.

Bovendien geniet zij van mijn tuin. Niet zomaar, ze vindt het een prachtige tuin. “Nou, ik moet er nodig in aan de slag”, probeer ik het een beetje te relativeren. Dat ik de halve zomer nog niets gedaan heb, vertel ik er maar niet bij, want zij reageert meteen enthousiast: “Dat valt niet op, het is juist een gezellige tuin.” Zo, weer twintig bonuspunten.

Ze drinkt haar kopje koffie leeg en dan is het genoeg. “Breng je me nu weer terug?” “Je bent er net en ik wil nog een labeltje vastnaaien.” “O, breng je me direct daarna? Ik moet weer eens terug.” En daar gaan we weer. Karretje achterin, mijn vingers dit keer allemaal nog heel, in tegenstelling tot de heenweg, toen er een velletje klem zat tussen de inklappende delen. “Ik koop een nieuwe rollator voor je. Het maakt ook niet uit of jij die wil, ik wil een nieuwe!”, mopper ik desondanks tegen de achterklep van de auto. Wanneer we de straat uitrijden, kijkt mijn moeder op haar horloge. “Net vijf uur geweest. Nu ga ik eens kijken hoe lang we erover doen.” Eenmaal voor de deur constateert ze dat het lang is, al is ze de tijd kwijt. Maar onderweg heeft ze wel oneindig veel mooie bomen gezien.

Leave a Comment

Posting your comment...

Subscribe to these comments via email