Bertil en ik spelen op mijn kamer

Bertil en ik spelen op mijn kamer. Sinds we uit de tuin mogen, zijn we vriendjes van elkaar. Tot die tijd konden we alleen maar naar elkaar kijken, roepen en scheppen zand gooien. Hij bij zijn achterhekje, ik bij onze haag aan de zijkant van de tuin.

Maar nu zijn we al wat ouder, al zes, en spelen we woeste spelletjes. We kruipen samen in een slaapzak op het bovenste bed van het stapelbed en laten ons eraf vallen. Elke keer weer geeft het een geweldige bonk. Betty doet niet mee. Wil dat ook niet eens, zo’n stom, wild spel. Ze tekent en kleurt liever aan het gele tafeltje.

Als het bijna tijd is voor Bertil om naar huis te gaan, moeten we opruimen van mijn moeder. Mijn zusje ruimt haar tekenspullen weg, maar wij hebben vanmiddag heel wat meer overhoop getrokken. Pfff, dat moet dan allemaal weer in kisten en in de kast en daar hebben wij natuurlijk helemaal geen zin in. Bertil heeft een geweldig plan: we proppen het op de onderste plank van het gele tafeltje en onder het stapelbed. Niemand die het ziet. Opgeruimd is opgeruimd tenslotte. Betty vindt het dom. “Als mama dat ziet, wordt ze hartstikke boos hoor”, waarschuwt ze ons. Als we al snel beneden komen melden dat we klaar zijn, krijgen we nog een laatste kans om goed op te ruimen. “Nu al? Alles wat ik nog vind gaat rücksichtslos weg!” Rücksichtslos, een van de lievelingswoorden van mijn moeder, volgens mij. En al versta ik nog niks over de grens, de betekenis van dit woord ontgaat me nooit. Maar het weegt niet op tegen mijn grenzenloze vertrouwen dat ze niet onder het bed zal kijken en het tafeltje beslist over het hoofd zal zien.

Wanneer later de vuilniszak vol spullen, inclusief mijn zo geliefde blikken gitaar, aan de straat staat te wachten op de vuilnisman, ben ik vele tranen verder. En de wijsheid dat ik soms, heel soms, beter naar mijn grote zus kan luisteren.

Leave a Comment

Posting your comment...

Subscribe to these comments via email