De dochter van mijn vader

De dochter van mijn vader, dat stempel droeg ik in mijn jeugd. Geen wonder, als dochter van de dominee, vooral als dochter die altijd net een beetje anders was. Maar de regels waren helder. Niet op laarzen naar de kerk (wat natuurlijk toch een keer per ongeluk gebeurde, in korte broek nota bene, maar dat was beter dan níet naar de kerk gaan), niet in de tuin werken op zondag. Correctie: niet in de voortuin werken op zondag. Gelukkig woonden we aan de rand van het dorp, met alleen wat lodderig loerende koeien achter het hek, dus in de achtertuin kon ik naar hartelust schoffelen en harken. Alleen geen gras maaien, want daarmee verstoorde ik alsnog de zondagsrust van de buren. En natuurlijk moest ik altijd beleefd en aardig zijn.

Op een dag kwam ik thuis uit school en wachtte mij een flinke uitbrander. Ik had mevrouw B. niet gegroet de dag ervoor. “Wanneer had ik mevrouw B. dan moeten zien?”, bracht ik er tegenin. “Je liep over het bruggetje”, wist mijn moeder te vertellen. Mevrouw B. passeerde aan de overkant, in de mist. Ik was in gedachten, op weg van school naar huis, maar aan mijn houding, ongetwijfeld dromerig in de puberteit, had ze mij herkend. Ik had haar niet eens opgemerkt, laat staan herkend. Maar dat was geen enkel excuus. Dromen moest maar wanneer er niemand in de buurt was. Nu voelde mevrouw B. zich gepasseerd en dat was Not Done.

Die herinneringen waren in de loop der jaren aardig weggezakt, tot het moment dat mijn oude schoolmeester met pensioen ging. De school gaf een groot feest, inclusief reünie, waar ik natuurlijk naar toe ging. Bijna vier jaar had de meester onze klas lesgegeven, doordat hij vanuit klas drie en vier de overstap maakte naar klas vijf en zes, juist toen wij halverwege de vierde waren. Na een paar invalkrachten kwamen we in de vijfde weer bij onze oude mees terecht.
Niet alleen naar de oude meester was ik benieuwd, maar ook naar de kinderen met wie ik zolang de schoolbanken had gedeeld. Wat zou er van ze geworden zijn? Al snel na de zesde klas verloor ik bijna iedereen uit het oog, omdat het gros naar de school in het dorp ging en ik niet. Maar misschien wilde niet alleen ik, maar ook de meester weten hoe het met zijn klas verder gegaan was. En zo besloot ik mijn oud-klasgenoten te gaan interviewen. Ik pakte het telefoonboek en ging op zoek naar hun ouders. Wanneer ik mezelf wilde introduceren, waren zij mij meestal voor. “O, maar ik weet nog wel wie jij bent. Jij bent die donkere van de dominee.” Twintig jaar was ik al weg, sinds de verhuizing van mijn ouders vijftien jaar eerder zelfs volkomen buiten beeld, maar iedereen wist nog de actuele ins en outs van mijn familie op te lepelen. Alsof er een strop om mijn hals geknoopt werd. Dapper hield ik vol en de interviews waren prachtige momenten van weerzien. Maar nooit zou ik meer terugkeren naar dat kalme dorp van mijn jeugd. Behalve voor zo’n reünie natuurlijk.

Niet lang na de reünie bleek mijn vader ernstig ziek te zijn en overleed hij. In de dagen rondom zijn overlijden leefden mijn zoon en ik in zijn huis. Veel mensen kwamen langs om afscheid te nemen van mijn vader en ons te troosten. “Wat doe je met het huis?”. Die vraag leefde voortdurend op de achtergrond die laatste weken. Het huis was mooi, ruim, rustig gelegen met veel ruimte en prettige buren eromheen. En in het huis ernaast woonde de vriend van mijn vader, inmiddels een vast deel van onze slinkende familie geworden. Er was weinig tegen een verhuizing, behalve één ding: niet weer wilde ik als ‘dochter van mijn vader’ door het leven. De combinatie naam en adres waren daarbij een extra hindernis, maar een die te nemen moest zijn, vond ik. En dus verhuisden we, maar nam ik een nieuw telefoonnummer. En ook wilde ik niet klakkeloos zijn huisarts overnemen, ook al was mijn vader zelf zo lovend over die praktijk. Natuurlijk ging ik toch overstag, want ik wilde boven alles een goede, betrouwbare huisarts. Vervolgens bleek het overschrijven van de energierekening naar mijn voorletter een hele heisa te geven en dus ga ik al jaren als J. door het leven bij dat bedrijf. Maar verder lukte het goed om mijn eigen leven op te bouwen. En dat mijn buren mijn vader kenden, bleek alleen maar fijn te zijn: nu had ik mensen om me heen met wie ik over hem kon praten.

Inmiddels is de stad veranderd. Van zijn stad werd het mijn stad, met plaatsen waar ik mijn herinneringen aan heb. En mensen met wie ik mijn leven deel. Mensen die mijn vader nooit gekend heeft. Maar soms, heel soms, wil ik nog wel even in zijn voetsporen treden. Zoals gisteren, bij de uitvaart van een vriendin van hem. Hij kende haar ook uit onze stad. Bijna-buren waren ze jaren geleden, lang voor hij in mijn huis kwam wonen. Ze hadden allebei dezelfde, ernstig beperkende ziekte. Dat bond. Ik herinner me nog hoe blij hij was iemand gevonden te hebben met dezelfde aandoening als hijzelf al sinds zijn achttiende had. En dan was er nu iemand, op loopafstand nota bene, die datzelfde lijden kende. Meerdere keren heb ik haar ontmoet, ook nog na het overlijden van mijn vader. En nu is ze er niet meer. Mijn buurman vertelde het. Hij bleef de vriendin al die jaren trouw vrijwel maandelijks bezoeken.

Nog één keer wil ik wel namens mijn vader naar buiten treden. Om een laatste groet te brengen. En zo krijg ik even een onbeschaamde kijk in een leven dat zo moeizaam geweest is, maar ooit zo hoopvol begon. Het doet mij plaatsvervangend pijn. Maar bij de koffie zijn mijn wangen alweer droog en blijkt dat mijn vader voor haar net zo’n begrip was als zij voor mijn vader. Zelfs nu, zoveel jaren na zijn overlijden, doet zijn naam de ogen oplichten, als ik vertel wie ik ben. Vooruit, alleen deze keer dan, ben ik even alleen maar de dochter van mijn vader.

5 Comments

  • Hannie Mommers

    Prachtig!!!

    27 Apr 2011 04:04 pm
    Reply
  • Ita van Dijk

    Dank je! Ik zit zelf al bijna weer te sniffen. Hopelijk is dat hooikoorts ;-).

    27 Apr 2011 07:04 pm
    Reply
  • Inge

    Wat mooi Ita! Heel ontroerend …

    27 Apr 2011 08:04 pm
    Reply
  • Anonymous

    Hoi Ita,

    O, wat kun je toch lekker schrijven.
    Ik kan niet meer precies schrijven wat ik gisteren gedaan heb.
    Wel had ik weer het zelfde gevoel en gedachtes bij mijn opa (vader van mijn vader) en mijn oma (moeder van mijn moeder) waar ik juist heel trots op was om wat ze waren en deden. Mijn oma was heel erg Rooms en heeft zelfs een onderscheiding van de Paus gekregen.
    Het is ook niet zo dat ik niet van de andere opa en oma houd maar deze twee (zeker mijn oma) hebben mij gemaakt wie ik nu ben. Natuurlijk mijn vader en moeder ook.
    Wat ik zo typisch vind is dat ik dan met tranen in mijn ogen schrijf zeker als ik dan denk dat ze mijn dochters nog hadden kunnen zien. (wat zouden ze trots geweest zijn)

    Ik kan nu wel een kopje koffie gebruiken maar mijn wangen zijn dan nog niet droog.

    Ik blijf je stukken lezen met plezier maar ook heel vaak met tranen.

    Groetjes,
    Marti.

    28 Apr 2011 07:04 am
    Reply
  • Ita van Dijk

    Dank je! Dit zijn voor mij ook van die vochtige momenten. Vaak realiseer je je pas (te) laat hoe dierbaar mensen je zijn. Of misschien is het een leeftijdsding, ben je daar gewoon niet mee bezig als je jonger bent. En ja, dat herken ik wel: wat zou mijn opa blij geweest zijn met zijn achterkleinzoons. Helaas heeft hij ze net niet meer gekend.

    02 Mei 2011 12:05 am
    Reply

Leave a Comment

Posting your comment...

Subscribe to these comments via email