Donorweek

Hoorn, woensdag 22 juni 1994

In de verte rinkelt de telefoon. Het geluid dringt tussen mijn dromen door mijn gedachten in, maar tegen de tijd dat ik bij de trap ben, stopt het. Dreumes David slaapt nog, maar zodra ik een voet op de trap naast zijn kamer zet, zullen zijn ogen openschieten. Hij zal even moeten wachten; eerst wil ik weten wie mij voor dag en dauw uit bed probeert te bellen. Van nummerherkenning heb ik nog nooit gehoord. Van draadloos bellen ook niet. Wel heb ik sinds kort een antwoordapparaat, maar helaas is er niets ingesproken.

Ineens schiet het telefoongesprek met mijn vader de avond ervoor weer door mijn hoofd. Hij maakt zich grote zorgen om Betty, mijn drie jaar oudere zus. Drie keer nierdialyse in de week betekent een immense aanslag: voor elke spoeling moet ze naar het ziekenhuis in Nijmegen, een uur reizen verderop. Daar ligt ze dan uren te wachten tot haar bloed verfrist is, waarna ze weer thuisgebracht wordt. De dag erna is ze ziek. Dit drie keer per week betekent dat ze één dag per week overhoudt om te leven en te genieten. Gelukkig heeft ze mijn ouders en andere zorgzame mensen om zich heen. Iemand heeft tenminste geregeld dat ze sinds kort een Spartamed heeft, een fiets met een motortje. Bij mijn laatste bezoek mocht ik er ook een rondje op rijden. Doodeng vond ik het, maar mijn zus tuft zo vrolijk de stad door. Zo kan ze tenminste weer de deur uit, die ene dag in de week.

Driemaal in de week dialyse betekent ook dat Betty’s nieren uitgerangeerd zijn. Jarenlang functioneerden ze op zo’n 35%, wat betekende dat ze een streng eiwitbeperkt dieet had en een stapel medicijnen per dag moest slikken. Een bruin pilletje om de nier op te porren, maar bijvoorbeeld ook grote witte calciumtabletten voor haar botaanmaak. Doordat Betty met slechte nieren geboren is, is alles wat groeit in haar lichaam verstoord. Een van de duidelijkste symptomen is haar eeuwige vermoeidheid. Overigens was mijn zus een kei in het misbruiken daarvan, vond ik als kind. Want iemand moest er natuurlijk voor opdraaien als Betty geen energie meer had voor de afwas. En dat ze een kwartier later wel puf had om op de fiets naar een vriendin te vertrekken, deed mij dan ook ontploffen. Nu, als volwassene, zie ik de nuance, toen, als kind, voelde ik me vooral genept.

Maar dat alles telt niet op dit vroege uur op woensdagmorgen. Ik til mijn zoontje uit bed en kleed hem aan. Beneden voer ik de katten en smeer ik brood voor mijn zoon en mij. Gelukkig drijft het allemaal op routine, want eigenlijk heb ik alleen maar oog voor de klok. Als dat telefoontje om zeven uur werkelijk van mijn vader kwam, is hij nu onderweg naar het ziekenhuis en kan ik dus rond half negen opnieuw telefoon verwachten. Waarom gaat die rotklok vandaag zo traag?

Als om half negen inderdaad de telefoon weer overgaat, staat mijn hart een moment stil. Bevend neem ik op. “Ze ligt nu op de OK”, zegt mijn vader. “Ze kreeg vannacht een telefoontje en is meteen opgehaald.” “Moet ik naar je toe komen?”, vraag ik. “Ik ga straks naar het ziekenhuis. Maar hoe moet het met mama?”, vraagt mijn vader. “Ja, je hebt gelijk, daar kan ik beter naar toe gaan. Ik heb een sleutel, ik wacht haar wel op.” Net vandaag is mijn moeder met haar man onderweg naar huis van vakantie. Voorlopig is zij nog niet thuis, maar het duurt ook nog uren voor ik bij haar huis kan zijn. Ik moet helder denken, wat moet ik regelen?

Ik bel het kinderdagverblijf of David de rest van de week onverhoopt mag komen. En ik bel zijn vader of die de komende dagen voor hem kan zorgen. Daarna volgt een uitgebreide inpaksessie. Kleren en luiers voor David, een bedje, de buggy, Beer en Popje, en wat speelgoed. Ik heb geen idee hoe lang ik van huis zal zijn, dus mik ik voor mezelf een flinke stapel ondergoed en sokken in een tas, plus wat kleren. En tussen alle fleurige shirts ga ik op zoek naar stemmig zwart. Veel heb ik niet, maar ik kan er net een set van bij elkaar vinden. Kleren voor de uitvaart van mijn zus, in wie ze nu staan te snijden. Zo broos, zo versleten al, ook al is ze nog geen 32. Ik durf er niet vanuit te gaan dat ze er volgende week nog zal zijn. En toch moet iemand die hoop wel gehad hebben, anders zou ze nu niet op de operatietafel liggen.

Het is hoog tijd om te gaan. Alles ligt achterin, David zit in zijn stoeltje gegespt. Eerst naar het dagverblijf, vertel ik mezelf. Ik knuffel David bijna plat en slik mijn tranen weg. Tot gauw, mijn mannetje. Laat ik vasthouden wat me lief is, voor je het weet, is het weg.

De reis geeft me tijd om te denken. Jarenlang stond mijn zus op de transplantatielijst. Het gaf haar hoop op een toekomst. Als zij op een dag een nieuwe nier zou krijgen (dat hij tweedehands was, vond ze niet erg), zou ze eindelijk kunnen gaan leven: niet meer altijd moe zijn en kunnen eten wat ze wil. Intussen bleef haar nierfunctie achteruit gaan en daarmee haar conditie ook. Uiteindelijk besloot de specialist dat een transplantatie er niet meer in zat voor Betty. Ze zou de operatie niet overleven. Het wachten was voorbij, de reden om te bestaan vervloog; ze sleepte zich van dialyse naar dialyse. Na een tijd kwam er nog één sprankje hoop door een opmerking van de specialist: als jij boven de 42 kilo weegt, zet ik je weer op de lijst. Voor iemand die maar zeer beperkt mag eten en zich bovendien meestentijds ziek voelt, is dat een immense opgave. Maar ze vocht en ze won en zo heeft ze kortgeleden haar plaats op de lijst teruggekregen. Geen moment te vroeg.

Terwijl ik nu hoop probeer te hebben, is die van iemand anders vannacht vervlogen, realiseer ik me. Iemand is gestorven en heeft de moed gehad om zijn of haar organen door te geven.

Eindelijk, een paar uur later, stap ik het stille huis van mijn moeder binnen. Ik wacht. Ik lees wat, zet de tv aan en vraag me af of ik voor het eten moet zorgen. Ik weet niet hoe laat mijn moeder en haar man thuiskomen. Na een paar uur wachten gaat de telefoon. Weliswaar is het niet mijn huis, maar ik neem toch maar op. Betty! “Hee, zusje, hoe is het?” “Hoe gaat het met jóu?” “Goed hoor. Ze belden me vannacht op, ze hadden een nier voor me. Ik heb nog geprobeerd je te bellen toen ik langs de balie kwam, maar je nam niet op.” “Om zeven uur?” “Ja, zoiets. Ik heb maar niks ingesproken, want dan zou je zo schrikken.” Nog lange tijd praat ze verder, over de reis naar het ziekenhuis, de zenuwen die door haar lijf gierden en de momenten voor de operatie. In geen tijden heeft ze zo gelukkig geklonken.

Die avond rijd ik met mijn moeder naar het ziekenhuis. Blij en vol verwachting, onwetend van de zware tijd die nog gaat komen. Maar uiteindelijk komt Betty erdoor en blijven mijn zwarte kleren in de tas zitten.

Zeven jaar later heb ik mijn zus alsnog begraven. Maar het zijn zeven bijzondere jaren geweest, waarin Betty eindelijk echt kon leven, hoewel ze door de jarenlange slijtageslag steeds beperkter werd. We groeiden dichter naar elkaar toe en de verschillen uit onze jeugd verdwenen langzaam tussen ons. Onze laatste middag samen in haar huis aten David, Betty en ik patat met kroketten, iets wat ze tot haar 32ste niet mocht hebben. Zo vierden we met ons drieën haar allerlaatste verjaardag.

_____________________________________________________________________________

We hebben nooit geweten van wie de nier kwam die mijn zus nog zoveel jaren extra gegeven heeft. We hebben de nabestaanden dan ook nooit kunnen bedanken. Wie en waar jullie ook zijn: ongelofelijk bedankt voor die extra jaren die jullie mijn zus en daarmee mij en alle anderen om haar heen gegeven hebben!

2 Comments

  • Inge

    Wow Ita … ik ben er stil van. Wat een indrukwekkend verhaal. Wat fijn dat je zus nog heeft mogen genieten van haar ‘tweedehands nier’. Gelukkig zijn er nog mensen die aan haar denken! En aan al degenen die donor zijn maar vooral aan degenen die nog donor MOETEN worden …. Groetjes, Inge

    18 Okt 2011 12:10 pm
    Reply
  • Ita van Dijk

    Dank je!

    21 Okt 2011 06:10 pm
    Reply

Leave a Comment

Posting your comment...

Subscribe to these comments via email