Een gezicht als een onweersbui

Een gezicht als een onweersbui heeft mevrouw Van Oosterbeek als ik binnenkom. “Wat is er aan de hand?”, vraag ik en ik vrees een tirade. “Vraag maar niets”, antwoordt ze kortaf. “Waar is mijn moeder eigenlijk?”, vraag ik toch nog maar. “Hoe moet ik dat nou weten?”, kaatst ze terug. Gelukkig komt mijn moeder net de kamer binnen zeilen. “Hee, wat een verrassing!”, straalt ze me tegemoet. “Ik ga even wat dingen in je kamer doen en dan kom ik er gezellig bij zitten”, zeg ik.

Ik verdwijn naar achteren, naar de kamer van mijn moeder. In de verte hoor ik, terwijl ik de kapstok eindelijk eens stevig ophang, een boel consternatie. Af en toe wat gebrom van mevrouw Van Oosterbeek en dan ineens mijn moeder geagiteerd: “Dat weet ik niet meer hoor, waar jij het nu over hebt. Wat heb ik dan gedaan?” Het geluid komt mijn kant op en net buiten de kamer kan ik de beide kibbelende dames opvangen. “Wat is er aan de hand?”, vraag ik. “Ik wil er niet over praten”, zegt mevrouw Van Oosterbeek, bijna in tranen. Mijn moeder trekt een lang gezicht naar mij. “Hoe kan zij jou nu helpen als jij niet vertelt wat er is”, zegt ze. Even aarzelt mevrouw Van Oosterbeek. Ze kijkt naar mijn moeder en dan naar mij.

Mijn moeder heeft geen flauw idee waar het allemaal over gaat. Klinkklare onzin vindt ze het, maar ze wil dat het nu maar eens opschiet. “Die man beweert dat ik gestolen heb”, zegt mevrouw Van Oosterbeek uiteindelijk. Meteen slaat ze haar handen voor haar ogen. “En dat is helemaal niet waar. Dat vind ik zo erg, dat iemand dat zegt. En toen had ik een vork in mijn hand, maar ik heb helemaal niet gestolen.” “Nou, praat dan met die man en zeg dat het niet waar is”, bijt mijn moeder haar streng toe. “Nee, dat wil ik niet, alleen als zij meegaat.”, wijst mevrouw Van Oosterbeek op mij.

“Welja, nu zit zij er ook nog mee”, verwijt mijn moeder haar. Ze praten gewoon over mij waar ik bij sta. En helpen doet het niet, want naast gekwetst voelt mevrouw Van Oosterbeek zich nu ook nog schuldig. Heeft ze mij ook nog met een probleem opgezadeld. “Nee hoor”, zeg ik daarom snel. “Ik zit er niet mee, ik vind het geen probleem.” Ik draai me naar de medewerkster die schuin achter me zit. “Los jij dit zo op of moet ik het even doen?” Niet-begrijpend kijkt ze me aan. Ze was druk met de administratie in de weer en heeft helemaal niets van het gesprek meegekregen. Ik leg haar heel snel uit wat er aan de hand is en zij belooft het op te pakken. Maar voor dit moment moeten de gemoederen maar eens gesust worden en ik dirigeer de vrouwen mijn moeders kamer in. “We gaan even zitten en wat drinken. En praten”, zeg ik. “Ik snap er helemaal niets meer van”, verzucht mijn moeder boos. “Wat een onzin allemaal. Wat gaan we nu doen?” “Zitten en praten”, zeg ik. “Ik haal even drinken.”

In de keuken loop ik de arme man tegen het lijf. Hij is de echtgenoot van een andere bewoonster en komt trouw elke zondag op bezoek. “Ze liep met een vork naar de kapstok en ik zei alleen ‘Ik geloof dat u zich vergist’. Toen zei zij: ‘ik dacht dat het een schaar was’ en dat was alles.” “Mevrouw Van Oosterbeek is best snel over haar toeren”, vertel ik hem. Het is niet bepaald de eerste keer dat ik haar in tranen heb gezien. “Dementie he, dan kan dit ook gebeuren.” “Ja, allerlei verschijningsvormen”, beaamt hij. “Hier heeft mijn vrouw nou geen last van.” Nee, zijn vrouw staat erbij en glimlacht. Ik ken haar niet anders dan vrolijk.
De rust bij mijn moeder duurt niet lang. Ik krijg niet eens de kans om drinken neer te zetten, want mijn moeder en mevrouw Van Oosterbeek komen er alweer aan. “Het is een misverstand”, vertel ik mevrouw Van Oosterbeek. “Dat kan soms gebeuren, dat je elkaar niet goed begrijpt.” “Nee, hij had het helemaal niet goed begrepen”, mokt ze nog. De man komt even bij haar staan. Ze aait zijn hond. Langzaam zakt de boze bui een beetje.

En nu mijn moeder, denk ik. Ik pak haar bij de arm en leid haar weer terug naar haar kamer. “Ik heb wat leuks meegenomen”, vertel ik. Uit mijn tas vis ik mijn laptop en ik roep de oude foto’s op die ik pas heb gescand. Mijn moeder in de eerste klas, samen met haar zusje op een zeilboot en met een hondje in haar armen in de achtertuin. Ze wijst naar de klassenfoto. “Dat ben ik”, priemt ze in het scherm. “Ik herken het kraagje van mijn jurk. Oma was altijd zo netjes, keurige kraagjes hadden wij.” Ik vraag of ze nog andere kinderen in de klas herkent. “Wat een rare dag is het vandaag toch”, verzucht ze nog even. En dan kijken we samen verder naar een ver verleden.

2 Comments

  • Anonymous

    Ik dacht, laat ik effe mijn twittertjes doorvladderen en gelukkig kwam ik jouw blog tegen. (ik was ’t alweer vergeten) ’t Ontroert me en ik vind het complex. Sprak laatst Carla, Haar moeder is de buurvrouw van jouw moeder. Die sprak zo liefdevol over haar moeder. Dat vind ik bewonderenswaardig. En dat vind ik jou ook! lieve groet, Boudewijn

    02 Jul 2012 10:07 am
    Reply
  • Ita van Dijk

    Dank je, Boudewijn! 🙂

    04 Jul 2012 10:07 pm
    Reply

Leave a Comment

Posting your comment...

Subscribe to these comments via email