Eigenlijk doe ik het niet meer

Eigenlijk doe ik het niet meer, van tevoren vertellen dat ik op bezoek kom. Nog niet zo lang geleden leidde dat namelijk tot een stroom telefoontjes: Wanneer kom je ook alweer? Wat hebben nu precies afgesproken? Ik zit hier te wachten, wanneer kom je nu? O, morgen pas? Voor mij waren de telefoontjes soms hooguit lastig (net op de wc, gaat ie weer, toch maar snel opnemen want je kan vanaf de wc niet zien wie er belt), maar voor mijn moeder betekende het vooral uiting geven aan een enorme onrust die in haar woedde.

En dus bel ik hooguit als ik al op het punt sta van huis te vertrekken. Maar vaak, dankzij de mobieltjes, ook pas als ik al op de parkeerplaats sta. “Ben je thuis? Heb je toevallig zin in koffiebezoek?” “O, gezellig!”. “Ik ben er over een minuut.” “Zo snel al? Waar ben je dan? O ja, ik zie je!”, zwaait ze dan vanachter haar raam.

Dit keer kondig ik mijn komst toch maar even aan, wanneer ze voor de vierde keer belt over een brief die ze gekregen heeft. “Ik kom morgen langs, dan kom ik ‘m halen.” Vervolgens ontstaat wat gesteggel over het tijdstip, maar gelukkig kan ik melden dat ik haar altijd wel ergens op kan duikelen als ik haar niet direct zie.

Bij binnenkomst vraag ik of mijn moeder toevallig aan het wandelen is. Nee, niet gezien. Ook zit ze niet bij de kapper, daar dutten een paar andere dames met krullers in het haar. Dus neem ik, ondanks de warmte, toch maar de trap naar boven. Het is rustig in de gang. Ik bel aan en denk een geluid te horen. Maar wanneer ik beter luister, merk ik dat de muren en het plafond sowieso veel geluid maken. Ergens gebruikt iemand een kraan, want er stroomt water. Er zijn ook geluiden die ik niet thuis kan brengen, maar die ook geen richting lijken te hebben. Ik bel nog eens en leg mijn oor tegen de deur. Ondanks de stilte ben ik er van overtuigd dat ze binnen moet zijn. Leve de mobiele telefoon: ik bel haar op. Direct neemt ze op. “O, sta je voor de deur? Ik kom je wel even halen.” Ze schrikt zich een hoedje als ze mij ineens voor haar deur treft. “Ik dacht dat je beneden stond. Ik vond het ook al vreemd!” Maar natuurlijk mag ik binnenkomen en met een heerlijk glas water zak ik op de stoel.

Toch verwondert het me dat ze me niet gehoord heeft. Het is geen bescheiden pling-ploing-bel, maar een ferme tring. “Heb je er wel meer last van dat je dingen niet hoort?”, vraag ik. Domme vraag natuurlijk, wat je niet hoort, hoor je niet, dus dat weet je niet. “Nee hoor”, zegt ze dan ook. En tijdens ons bijna roepende gesprek daarna bedenk ik me dat ik maar weer eens aan de bel moet trekken. Die van de verzorging dit keer, zodat de huisarts weer eens in haar oren kijkt.

Leave a Comment

Posting your comment...

Subscribe to these comments via email