Festival

Stralend weer is het als ik mijn ogen opendoe, deze zondagmorgen. Ik zie het door de gordijnen. Mooi, want gisteren heb ik, puzzelend in het programma van het festival in mijn stad al bekeken dat ik vanmiddag op pad wil.

Er knaagt iets, het begint bij mijn tenen en vreet zich in sneltreinvaart een weg naar boven. Met zulk weer zou mijn moeder de hele dag buiten leven, in de tuin, op de fiets, wandelen in het bos. Als ze zelf mocht bepalen wat ze deed, zou haar dag daarmee gevuld zijn. Haar meenemen naar het festival is geen optie. Ze zou het allemaal niet begrijpen en horendol worden van de mensenmassa om haar heen. Mijn moeder is al niet zo groot, maar zittend in haar rolstoel, ziet ze alleen nog maar buiken en billen. Dat klinkt niet echt als genieten van een mooie dag. Niet voor mijn moeder in ieder geval.

Ik voel het al. Het gaat me niet lukken om te genieten van het festival, wetend dat mijn moeder de hele dag binnen zit. En dus schiet in mijn kleren aan, ontbijt ik snel en spring ik in de auto. Mijn moeder is blij verrast als ze mij ziet. Zelf heb ik eigenlijk nog niet echt bedacht wat we gaan doen, maar als ik de huiskamer binnenstap, weet ik het direct. “We gaan wandelen mam. Ik maak nog even een kopje thee voor de buurvrouw en dan gaan we.” “Ik ben jaloers”, zegt de verzorgende. “Ik zou graag met de bewoners naar buiten gaan, maar het kan niet. Het balkon is te klein. Bij de rand is het te heet en de bewoners passen niet met zijn allen aan de andere kant.” Beneden is er wel een binnentuin, maar het is onmogelijk voor de verzorgende om op een veilige manier alle bewoners mee naar beneden te nemen. Over de buitenmogelijkheden is duidelijk niet goed nagedacht.

Maar mijn moeder heeft geluk. Samen lopen we de trap af. Vorige week ontdekte ik bij toeval dat mijn moeder als een kievit de trap op- en af kan lopen en dus houd ik dat er voorlopig in. Daarna stappen we naar de auto, waar ze zich vasthoudt aan de deurklink. Ik pak de rolstoel en dan stappen we naar het park. Dit park is mij volkomen onbekend, ik zag het toen ik er pas langsreed. Een man wijst me een paar mooie routes door het park en we gaan op pad. Mijn moeder geniet van de prachtige bomen en de planten. Een paar keer glijdt ze rakelings langs een brandnetel met haar hand in een poging de planten te voelen. We stappen langs een grote vijver en een hertenkamp met opgetogen rennende herten. Ik sleur de rolstoel een hobbelig bergje op en dan zijn we even sprakeloos. Midden in de stad staan we, maar het lijkt ergens ver in het niets. Gras, bomen struiken, koeien. Ik hoor een trein en vogels. Ik ontdek een water en ganzen langs de kant. “Ik ben hier nog nooit geweest”, zegt mijn moeder, die eerder toch beweerde dat ze dit park vaker bezocht. “Ik ook niet. Wat mooi.” We staan een tijdje stil te kijken. Dan vervolgen we onze weg. Terug door het park blijkt ingewikkelder. Ik ben al blij dat het in de stad is, echt verdwalen kun je niet, al lijkt het er even op dat ik onze weg nodeloos verleng. Maar uiteindelijk vinden we de weg terug wel weer. Nou ja, vind ik de weg terug weer. “Aan mij heb je niets hoor”, waarschuwde mijn moeder al toen we het park inliepen. Maar haar eigen straat herkent ze even later wel weer. “Wat is dit heerlijk”, verzucht ze regelmatig.

Als we binnenwandelen staat haar bord al op haar te wachten. Als ze aan tafel zit, krijg ik een dikke zoen. “Wat was dat mooi, dank je wel”, zegt ze. “Dat doen we nog een keer”, antwoord ik. Een uur wandelen, voor mij meteen een aardige sport, met die rolstoel over de bospaden. Nog een knuffel en dan ga ik. Mijn moeder is gelukkig. Ik ben klaar voor het festival.

Leave a Comment

Posting your comment...

Subscribe to these comments via email