Kwart voor elf!

De telefoon gaat. Kwart voor elf ’s avonds! Steeds meer mensen krijgen door dat ik een avondmens ben, maar zo laat gebeld worden, alarmeert me toch altijd. “Mam” staat er in het venster. Ik neem snel op. “Hallo, met Ita”, roep ik vrolijk. Je weet het nooit, het zou eens kunnen helpen. Aan de andere kant is er echter helemaal geen paniek, niet eens een bedrukte stemming. Het is gewoon mijn moeder, die belt alsof het kwart voor elf ’s ochtends is. “Zeg, ben jij jarig?”, begint ze. “Nee, nog lang niet, maar ik wil het best zijn hoor.” “Nou, dan van harte gefeliciteerd!” “Dank je wel! Je bent de eerste!!” “En waarschijnlijk ook de laatste”, lacht ze. “Maar hoe kom je daar nu op, dat ik jarig zou zijn? Staat de klok verkeerd?” De datumklok is nog steeds een fijne steun in haar huis, maar af en toe rommelt ze aan de knoppen. Of misschien doet de schoonmaakster dat, dat weet ik natuurlijk niet. En mijn moeder kan het mij niet vertellen. In elk geval is het al in de routine ingebouwd dat ik elke keer dat ik op bezoek kom even een blik op de klok werp om te kijken of dag en datum wel juist zijn.

Maar nee, daar is niets mee aan de hand, bezweert ze me. “Ik heb geslapen en werd wakker en dacht: nu moet ik eerst Ita bellen.” “Nou, gezellig. Ik dacht eigenlijk dat je nog wel zou slapen.” En omdat ze zo vreselijk monter klinkt, vraag ik toch maar: “Is het nu dan ochtend?” “Nee, natuurlijk niet, het is stikkedonker. Het is avond.”

Donker is eenvoudiger dan licht. Nog niet zo lang geleden belde ze me op een ochtend met de vraag of het nu ochtend of avond was. Want half tien ’s avonds kan het nog licht zijn, in de zomer tenminste. En in het huis is het altijd zo warm, dat het verschil tussen zomer en winter moeilijk waarneembaar is. Maar licht en donker zijn nog steeds duidelijke aanwijzingen voor mijn moeder. Gelukkig helpt het dat ze haar gordijnen nooit helemaal dicht doet. Ze heeft altijd ergens zicht op een streepje buitenlucht.

In dit gesprek komen de onvermijdelijke vragen weer voorbij: hoe gaat het met je, en met zoon? En heb je nu een vriend? Ik wist het niet zeker meer. Ga je nog op vakantie? En natuurlijk ook: waar woon je nu? Dat laatste, toch een redelijk constante factor, wil niet meer blijven plakken. Een paar dagen geleden plaatste ze me op kamers in Utrecht, een fase die ik ruim twintig jaar geleden heb afgesloten. Soms kets ik daarom de vraag weleens terug, zodat ik weet wat haar referentiekader is. Niet dat het betekent dat ze in haar hoofd dan twintig jaar terug is in de tijd. Geenszins! Het huis waar ze destijds woonde is een vage vlek in haar herinnering, maar haar vorige adres is nog steeds ‘haar huis’. Inclusief huisnummer, postcode en telefoonnummer dreunt ze dat zo op. Dat gezegd hebbende: met regelmaat laat ze een saldo cijfers op me los. “Ben jij dat?”, checkt ze dan even. Ik moet altijd even hard denken voor ik “ja” kan antwoorden.

Dat ze belde voor mijn verjaardag is ze inmiddels alweer vergeten. Jammer, zo’n minifeestje halverwege smaakt goed! Ach, op de verrassing van dit vrolijke telefoontje kan ik ook wel een tijdje teren.

1 Comment

  • Inge

    ’t Is allemaal zo herkenbaar! En dan die klok: eens in de zoveel tijd staat dat ding fout ….. en tja, hij heeft ’t echt niet gedaan…. 😉

    29 Jan 2011 09:01 am
    Reply

Leave a Comment

Posting your comment...

Subscribe to these comments via email