Met de stoomtrein van Apeldoorn naar Dordt

3 juni 2012 – We rijden in de wolken, tussen Apeldoorn en Deventer. De wolken van de kolendamp. Hoe ongezond ook, het roept, al ben ik van na die tijd, een nostalgisch gevoel op. Collectief geheugen, verankerd in mijn genen.

Ik deel mijn coupé met tien mannen en twee vrouwen. De vrouwen zijn mee met hun man. Slechts een paar vrouwen zag ik begeerlijk naar de trein loeren toen we in de rij stonden te wachten. Het is een mannending, een jongensdroom, deze trein.

Waar mij altijd verzekerd wordt dat mannen over vrouwen praten, hier niet. Hier gaat het over treinen, over locs, maar ook over familienieuwtjes tussen vrienden. En hier en daar verdwaald zie je de dromerige eenlingen, die ongetwijfeld hun treinbaan op zolder koesteren.

Door Twello nu. De trein stampt stevig door. Moet ook. Over drie uur rijden we Dordrecht binnen. De IJssel. Even wordt het stil. Zicht op Deventer. We naderen het station en vooral het rangeerterrein. De blikken gaan naar buiten. Staat er nog iets van onze gading?

Het station nu. Wachtende passagiers op het perron kijken met open mond. In plaats van hun blauw-gele intercity glijdt er een meterslange, dampende stoomtrein langs hun perron. Het effect is lachwekkend: armen gaan omhoog, net als kinderen vroeger zwaaien ze naar het passerende gevaarte.

Dan nu het rangeerterrein. Leeg.

Toch feestelijk en vertrouwd om door mijn eigen stad te rijden, maar dat maakt deze route meteen ook zo bijzonder. Het is een keten van ‘eigen steden’. In vier ervan heb ik gewoond, op heel verschillende momenten in mijn leven. In allemaal ben ik ooit geweest. Na Deventer stuiven we door het groen naar Zutphen. Zomaar in het niets doemt naast de rails een man op, met een camera.

Ik heb wel een paar ritten in museumlijnen gemaakt, van A naar B, daar kijk je even rond, vaak zelfs met een museumstation aan beide uiteinden van de lijn en een zo authentiek mogelijk landschap ertussen. Maar nu rijden we over gewoon spoor, langs de steden die ik straks met de NS ook weer passeer. Dat maakt het surrealistisch. In de wereld van vroeger schuif je door het leven van nu.

In Zutphen staan op het perron ook weer veel verbaasde blikken en veel zwaaiende handen. En verder gaan we weer. Over de stalen brug met weer een fotograaf. In Dieren is het niets speciaals. Stoomtreinen rijden daar vrijwel dagelijks, niemand kijkt er meer van op. Zelfs niet dat we er een tijd blijven staan om de vertraagde intercity te laten passeren. Hoe zal de ontvangst in Arnhem zijn?

Heel soms staat er onderweg nog een fanatiekeling klaar met een camera, ondanks de kou en regen, maar de hordes die ik verwachtte vind je hier niet. De stop in Arnhem is de enige geplande op de route. Hier mogen nieuwe passagiers aan boord komen. Aanvankelijk lijkt het stil, maar het blijkt toch drukker te worden. De passagiers stonden klaar op een ander perron. Een groot nieuw station, maar het werkt blijkbaar nog niet perfect. Na een paar minuten rijden we Arnhem uit. Daar is de Rijn! Grijs in dit licht. Ooit, tientallen jaren geleden was het ook zo: koud, nat, grijs. Dezelfde geluiden, dezelfde geuren. Voor het idee vlak ik de moderne windmolen even uit.

Verder gaan we weer, inmiddels zijn we Elst voorbij. Een nieuwe weg, gonst het door de coupé. Er is een nieuw viaduct in aanbouw, de rook blijft er even onder hangen. De wolken worden dikker, lijkt het. Drukt het natte weer ze naar beneden?

Voorbij Lent doemt Nijmegen op, aan de overkant van de Waal. De stad is het toonbeeld van nijverheid. Kranen op het industrieterrein, boven de binnenstad en aan de overkant van de rivier. De stoomfluit blaast ons op de brug al binnen. De schepen onder ons antwoorden met hun lage hoorns. Nijmegen, de vierde stad uit mijn leven. Mijn eerste studentenjaren sleet ik hier, vlakbij het station. Vanuit mijn huis kon ik de treinen over de Kleefsche Poort zien rijden.

Ik ben gekleed op juni, niet op dit herfstige weer. Iedere minuut dringt dat tot me door, maar eigenlijk geeft het niet. Het past wel bij het gevoel even terug te stappen in de tijd; de tijd dat comfort nog een luxe was die je niet kon eisen.

Na de Rijn en de Waal steken we om 10.45 uur de Maas over. Ravenstein. We zijn in Brabant, land van mijn jeugd, rivier van mijn jeugd, een klein stukje stroomopwaarts leerde ik lopen, lezen en schrijven. Intussen komt de man van de restauratie voorbij met hete thee. Ik voel vooral de kou in mijn voeten, maar daar helpt die thee vast voor, beloof ik mezelf.

Er verschijnt weer bebouwing: Oss. Eeuwige stad van mijn zusje. In gedachten zwaai ik, al is het net te laat. Geen nood, op de terugweg heb ik weer een kans. Ik verbaas me over het zitcomfort: al twee uur kleef ik op mijn bankje, niet te vergelijken met de fauteuils in moderne treinen, maar nergens voel ik kramp of pijn. Wel heb ik de luxe van de breedte. Officieel is dit ongetwijfeld een tweepersoonsbankje, maar met iemand naast me zou het krap zijn.

Er schuift een kleine man voorbij met een kopje koffie. Leren jas, pet, baardje. Hij stond naast me op het perron in Deventer vanochtend in alle vroegte. Na mijn besluit om mee te reizen, pas rond middernacht, heb ik geen enkele gedachte gewijd aan de passagiers op zo’n reis. Pas op het station in Deventer drong tot me door dat ik een ochtend lang tussen fanatieke treinspotters zou zitten. Allereerst al in de stoptrein naar Apeldoorn.

In Den Bosch staan we lange tijd stil, op een tussenspoor, zonder perron. Een gevoel als zweven tussen hemel en aarde. In werkelijkheid moeten we gewoon wachten tot de stoptrein en de sneltrein ons voorbij zijn. Wij rijden maximaal 110 km/u vertelt mijn overbuurman me, langzamer dus dan het hedendaagse treinverkeer. Daarom maken we af en toe ruim baan. Gelukkig, de intercity vertrekt. Dan bewegen wij vast ook snel weer. IJdele hoop. Er gebeurt niets. Nog even en ik begin aan mijn lunch, mijn maag rammelt. Het is nog maar bijna half twaalf, maar mijn ontbijt at ik toen het amper licht was.

Half 12, we vertrekken eindelijk weer. Om 12 uur in Dordrecht? Ik heb er een hard hoofd in. In tegenstelling tot mijn medepassagiers wil ik meteen weer terug, maar ik zie de opties voor de tijdige terugreis uit beeld glijden. Het geeft niet, we rijden door Brabant. Ik vraag me af hoe we verder gaan. Vanaf nu zijn er twee routes mogelijk: via Tilburg en Breda of via Geldermalsen en Gorinchem. Ik hoop op de tweede, maar als daar enkel spoor ligt, is het ongetwijfeld onmogelijk.

Inderdaad, we rijden de zuidelijke route, tot groot geluk van een man op een keukentrapje. Bij een rustige overgang wacht hij ons op met zijn camera. Eindeloos moet hij daar gestaan hebben, want we zijn inmiddels zeker een half uur vertraagd. Vanaf nu gaat de reis vlot. We passeren Tilburg en Breda. Dat klinkt als bekend terrein voor de mannen tegenover mij, die toch van ver komen. Na Breda draaien we noordwaarts. Naast ons verschijnt de moderne hogesnelheidslijn. Hier zou iemand met een camera moeten staan. In één beeld leg je verleden, heden en toekomst vast. Maar het verleden heeft geen tijd om te wachten. We razen door, het water tegemoet. We steken het Hollands Diep over, waarna we ineens vlakbij onze bestemming zijn. Dordrecht, het eindpunt van deze treinreis. Ooit, lang geleden, startte ik hier de reis van mijn leven. Nog een laatste blik vanaf de loopbrug op de trein die me hierheen voerde en dan stap ik met een nieuwe kop hete thee in de trein terug naar nu.

2 Comments

  • Erik Muller

    Wat ontzettend leuk. Ik was er zelf ook bij, en als ik dit zo lees zie ik het zo weer voor me 🙂

    12 Jun 2012 11:06 pm
    Reply
  • Ita

    Hoi Erik,

    Dank voor je reactie. Wat leuk :-). Hoe heb je dit blog gevonden? Of zat jij aan de andere kant van het gangpad?

    Groet, Ita.

    10 Okt 2012 12:10 pm ()
    Reply

Leave a Comment

Posting your comment...

Subscribe to these comments via email