Naar het Openluchtmuseum

Vandaag is het drukker dan druk. Al bij aankomst zien we het. De parkeerplaats is bomvol en dus moeten we uitladen voor de deur en rijd ik alleen verder voor een parkeerplek langs een achterafweggetje. Als ik bij de ingang aankom heeft zoon de kaartjes al gekocht en zit mijn moeder startklaar in de geleende rolstoel. Het weer is ons waanzinnig goed gezind. Na een week met regen is het vandaag droog en warm. De meegebrachte jassen zitten dan ook in tassen gepropt. Behalve die van mijn moeder natuurlijk, die ligt netjes opgevouwen op haar schoot.

Net wanneer we het museum binnenlopen, komt de Rotterdamse tram er aan. Met rolstoelrijtuig, dus schuiven we mijn moeder gezellig naast een andere dame. “Als je bij de volgende halte uitstapt, ben je op het hoogste punt”, vertelt de dochter van de dame. “Dan hoef je alleen nog maar naar beneden.” Heel praktisch natuurlijk, maar wij zitten niet vanwege het praktische in de tram, maar omdat het de Rotterdamse is. Weliswaar niet zo oud als het rijtuig uit mijn moeders jeugd, maar de kleuren zijn al goed. En dus stappen we twee haltes verder pas uit en lopen we bergop, zoon achter de rolstoel, mijn moeder erin, vol bewondering voor de bomen. Zoons vriendin en ik komen er slenterend achteraan.

Het kruisgebouw, dat is een leuke start, lijkt me. Mijn moeder vindt het echter verwarrend. “Moet ik in bad?”, vraagt ze bij het zien van de bad- en douchecellen. “Herken je de geur?”, vraag ik. “Nee, ik herken helemaal niets.” Niet helemaal het succes waar ik op hoop, blijkbaar liggen het oude kruisgebouw en mijn moeders tijd in de verpleging nog een eind uit elkaar. Zelfs de verhalen over mijn jeugd komen niet meer boven. Dan wordt het tijd voor humor, dat klaart de lucht altijd. “Beetje stijve dokter, vind ik”, toeter ik richting mijn moeder. Het pad is smal en er staan twee mensen tussen ons in. “Nou!” Haar ogen beginnen te glimmen. “Hij zegt ook niet veel.” “Je hebt gelijk, een beetje een nietszeggend figuur.” “En die bril op tafel”, merkt zoon op. “Geen wonder dat hij zo’n onleesbaar handschrift heeft!” Lachend laten we de plastic dokter achter wanneer we weer naar buiten rollen. Op naar de Tilburgse huisjes. Met mijn arm ter ondersteuning probeert mijn moeder het jongste huisje door te lopen, maar gelukkig komt zoon erachteraan met de rolstoel. Lopen én rondkijken is toch wat veelgevraagd en moe laat mijn moeder zich achterover zakken.

Ik loop de andere huisjes nog door met zoons vriendin en vertel kort over de perioden en de bijzonderheden van de huisjes. Dan doen we tenminste nog een beetje historisch verantwoord en kunnen we met een gerust gemoed richting pannenkoeken. Die vinden we op het terras van de herberg. Wanneer de ober de bestelling op komt nemen, noemt ieder zijn of haar keuze. “Met appel en kaneel.” “De Veluwse, maar dan met kaas.” “De Veluwse, wel gewoon met ei.” “Een pannenkoek”, zegt mijn moeder. “Jij wilde geloof ik graag een spekpannenkoek, he mam?” “Ja, een spekpannenkoek graag”, herhaalt ze voor de ober. Met grote ogen kijk ik een tijdje later naar mijn moeders bord. Het is leeg. Helemaal leeg. En het hele flesje cola dat ze erbij dronk is ook leeg. Beslist iets om te melden aan Het Huis. Meestal bereiken me geluiden over “te weinig gegeten, niet voldoende gedronken”, maar pannenkoek en cola zijn in een mum van tijd verdwenen. Is het de buitenlucht? Of is het een kwestie van smaak?

Het wordt tijd om ons op te splitsen. Zoon heeft nog wat wensen en zijn vriendin bezoekt het Openluchtmuseum zelfs pas voor het eerst. Ik neem mijn moeder in de rolstoel mee. Over hobbelige keien duw ik haar naar de kerk. Zelf zit ik er graag, zolang er geen dominee is, en voor mijn moeder lijkt het me zo vlak na het eten een fijn, rustig plekje. “Laat maar hoor”, klinkt ze hobbelig. “Ik ga wel lopen.” “Nee joh, het gaat prima. Of is het voor jou vervelend?” “Nee, maar het lijkt me zo lastig voor jou om me te duwen.” Elke vijf meter herhaalt dit gesprek zich en ik ben dan ook trots dat het me lukt mijn moeder met rolstoel en al over hobbelkeien bergop de kerk in de krijgen. Alleen wacht ons daar geen rust. Het is hoogzomer en hartje schoolvakantie, dus het is ook in het Zeeuwse kerkje druk. Menig ouderling denkt verlangend aan zoveel belangstelling voor zijn of haar kerk. Lang blijven de bezoekers niet, maar direct worden zij afgewisseld door nieuwe belangstellenden.

“Ik wil nu wel weer eens naar huis”, zegt mijn moeder ineens. Oei! Dat we maar drie dingen gezien en een pannenkoek gegeten hebben, vind ik geen punt. Mijn doel vandaag is niet om zoveel mogelijk te bekijken, maar om samen met mijn moeder te genieten van het museum. En dat genieten zouden we onder andere in de Rotterdamse tram doen. Niet die ene waarin we naar boven gesnord zijn, maar de echte oude tram die mijn moeder als jong meisje van school naar huis voerde. Lijn 2 naar Charlois, in een tijd dat dat nog een mooie, jonge buitenwijk in aanbouw was. Mijn moeder weet het niet, maar de mensen van de tram laten deze wagen speciaal voor haar rijden vandaag, omdat ik op mijn verjaardag samen met mijn moeder wil genieten in ‘haar’ trammetje. Op weg naar de halte vertel ik het haar. Nou vooruit, dat wil ze nog wel, al is ze inmiddels wel toe aan haar middagslaap. We laten lijn 1 uit Arnhem voorbijgaan, maar daarna schuurt de onze in de verte de bocht om. De conducteur helpt mijn moeder aan boord en we vouwen de rolstoel op. Deze rit gaan we op een echt bankje, vlakbij de machinist. Dat blijkt de medewerker te zijn die deze tram geregeld heeft. Al snel begrijpt hij dat hij de hooggeplaatste passagiere aan boord heeft. “Vindt uw moeder het leuk?”, vraagt hij. Ik kijk naar haar tevreden en kalme gezicht. Het uitzicht mag dan anders zijn dan dat op de huizen en schepen in de Maasstad destijds, maar in een scherpe bocht lacht ze me toe. “Dit geluid vergeet ik nooit”, roept ze boven de gierende wielen uit. We rijden nog een extra rondje. De wens om naar huis te gaan is even verdwenen. Of nee, niet verdwenen, vervuld. Meer thuis dan haar eigen huis is dit bankje in de tram. Haar tram. En ik mag ernaast zitten.

De verjaardag is geslaagd, mijn moeder is moe. Zoon en zijn vriendin wachten bij de uitgang. Voldaan rijden we in de middagzon weer naar huis.

Leave a Comment

Posting your comment...

Subscribe to these comments via email