Niemand die zag wat wij hier kwamen doen

Met zijn drie├źn zaten we gezellig te lunchen, mijn vader, mijn moeder en ik. Ik warmde de melk voor mijn vader in de magnetron en elk aten we een broodje. Zo zag het er tenminste uit. Een broodje met een knoop in mijn maag, want zo zou het voortaan zijn. De wereld om ons heen kon niet zien dat we eigenlijk met zijn vieren waren. Die vierde was mijn zusje, die drie verdiepingen boven ons langzaam afscheid nam van het leven. Twee uur later zouden wij om haar bed zitten en zou ze langzaam van ons wegglijden.

Maar dat wist de wereld niet die zich om ons heen haastte naar bezoekuur en werkplek. Een man duwde een vrouw in een rolstoel naar de deur, met op haar schoot een maxicosi. Een nieuw leven, een nieuw begin. Vreugde en verdriet leeft naast elkaar in het ziekenhuis. Ik keek nog maar eens goed naar de grote houten olifant waar ze langs liepen.

Het zou de laatste keer zijn dat ik hem zag, verwachtte ik. Hoe vaak ben ik hier al niet langs gekomen? Al toen ik klein was en aan de hand van mijn moeder meeliep, op bezoek bij mijn zieke zusje. Toen stond de olifant er nog niet. Gezelligheid begon niet met de R van Reinheid, Rust en Regelmaat en had dus niets in een ziekenhuis te zoeken. Kinderen trouwens ook niet. Vanachter een glazen wand zwaaide ik naar het kleine, blonde hoofdje in de verte.

Ik nam nog een hap van mijn broodje. Sneller dan ik wilde, draaiden de wijzers van de klok. Mijn tranen slikte ik weg met de melk. We stonden op, ik plaatste het dienblad op de afwaskar en we liepen in stilte naar de lift. Niemand die zag wat wij hier kwamen doen.

Leave a Comment

Posting your comment...

Subscribe to these comments via email