Niet schrikken!

Gelukkig ben ik geen schrikkerig type. Alleen als ik een spin meen te zien, schiet ik een meter omhoog, verder blijf ik in geval van acute nood ijselijk kalm. En dat is maar goed ook, want daardoor kan ik handelen wanneer dat noodzakelijk is.

Dus toen ik zoon onder de kraan zag hangen, wilde ik eerst zijn gezicht zien, zette hem onder de douche vanwege de bredere straal, stuurde een jongen naar boven om een droge broek te zoeken en ging ik de arts bellen. Die adviseerde tien minuten lauw water en daarna een snelle gang naar het ziekenhuis. De dokter keek geschokter dan ik mij voelde en ik voorspelde, meer uit schuldgevoel dan uit parate zelfkennis, dat mijn schrik de dag erna wel zou komen. Het duurde nog tot de avond erna voordat de ware omvang van de situatie tot me doordrong. Ik had al gezien hoeveel geluk zoon gehad had, had zelf al ingeschat dat hij goed zou herstellen, maar hoe en wanneer, daarop had ik geen zicht. En al is hem meer vreselijks bespaard gebleven, toch voelt het even alsof dat lot hem wèl beschoren is, een half weggeblazen gezicht, kapotte ogen en een gerafeld oor. En tussendoor sijpelt boosheid: hoe kan jij dat mooie kind dat ìk gemaakt heb zó vernielen?

Het leven hier in huis is veranderd. De vragen “hoe gaat het?” en “heb je lekker geslapen?” betekenen vooral: heb je pijn, is de zalf goed blijven zitten, trekt het ergens en kan ik iets voor je doen? Gelukkig doet zoon zijn best zo zelfstandig mogelijk te zijn, dus doucht hij zich bij voorkeur als ik er even niet ben. Alleen zijn haar wassen vergt een extra mens, want dat moet liggend achterover. Ik doe het, vanzelfsprekend. Ik rijd naar het ziekenhuis voor meer zalf en vul meteen de voorraad vaseline aan wanneer hij in deze nieuwe fase komt. Ik sta zondag in de ochtendschemer de stoep te vegen en de auto te krabben om naar de controle in het ziekenhuis te kunnen rijden. Lopen en fietsen zijn geen opties, te koud, te glad en vooral te openbaar. Minstens tienmaal per dag kijken we of de kleur al iets meer naar een normale tint neigt, zodat hij binnenkort zonder al te veel bekijks weer naar buiten en naar school kan.

Ook ’s nachts leven de gebeurtenissen door. Ik beland in een levensgroot vuur en word zwetend wakker. In mijn slaap bezoek ik vele malen de dokter, met en zonder zoon, maar steeds vanwege zijn verbrande gelaat. Slechts heel soms vergeet ik het even en schrik ik als ik hem aankijk, rood glimmend, hier en daar bebloed.

Straks moet ik op verjaarsvisite. Ik heb geen zin, het is dezelfde tegenzin die zoon voelt om zich onder de mensen te begeven. Ze zullen ernaar vragen, ze zullen willen weten wat de behandeling inhoudt en hoe hij herstelt. Ze zullen commentaar geven of adviezen. Ik wil er niet over praten, niet daar, niet nu. Ook ben ik niet in de stemming om leuk te babbelen met vage kennissen. Normaal zou ik daar ook geen zin in hebben, maar nog in staat zijn te doen alsof ik het leuk vind. Nu kost het me alleen al een berg energie om eraan te denken. Ik heb even genoeg aan mezelf en aan zoon. Het liefst zou ik een tijdje helemaal niets doen, alleen maar met z’n tweeën zijn. Zo gaat dat met uitgestelde schrik.

Leave a Comment

Posting your comment...

Subscribe to these comments via email