With anyone else but me

“Ik ga je een moeilijke, pijnlijke vraag stellen”, zegt mijn moeder. We zitten naast elkaar op een bankje te praten over van alles en nog wat, tussendoor zingend “Don’t sit under the appletree with anyone else but me”. En dat tweestemmig, als vanouds. Bijna als vanouds, mijn moeder zingt over papier. “Ik verstond het niet goed”, verontschuldigt ze zich als ik in de lach schiet.

“Zeg het maar, wat wil je vragen?”, zeg ik. Ze kijkt me kalm aan. “Leeft papa nog?” “Ik vind de vraag niet pijnlijk, maar het antwoord wel”, begin ik voorzichtig. Geduldig wacht ze op mijn antwoord. “Nee, papa leeft niet meer. Hij is zevenenhalf jaar geleden overleden.”

“He, nou heb ik je verdrietig gemaakt”, zegt ze. “Nee hoor, ik mis hem gewoon nog steeds en soms word ik daar verdrietig van. Dat geeft niet.” We zuchten allebei en zitten even stil. “Was hij er nog maar. Maar ja, dan woonde ik niet zo fijn als nu”, concludeer ik cru. Daar moeten we dan toch wel weer om lachen.

En we doen nog een rondje: “Don’t sit under the appletree, with anyone else but me, with anyone else but me, with anyone else but me”. En over papier dus. Wat zitten we daar samen goed, op het appelgroene bankje.

Leave a Comment

Posting your comment...

Subscribe to these comments via email